Genealogie
Thomas Houtepen (V.2)
Thomas HOUTEPEN [1], brouwer, schepen in 1700, 1707, 1710 en 1711, 1728, gedoopt (RK) op 02-09-1667 te Rijen (getuige(n): Thomas Adriaensen Houtepen, Eva Joannis). V. Adrianus Thomae Houtepen, M. Maria Adriani, begraven 1757*1758 te Rijen.
Zoon van Adrianus (Adriaen Thomas) HOUTEPEN (zie IV.4) en Maria Adriaen Wouter (Maeijken) BOTERMANS.
Ondertrouwd op 23-01-1694 te Dongen (getuige(n): Gerit Remigius en Peter Aert Hoven).
Gehuwd op 26-jarige leeftijd op 07-02-1694 te Dongen, gehuwd voor de kerk op 12-02-1694 te Dongen met Dingena (Dympna) ELANTS (Glaudi) [2], 23 jaar oud, gedoopt (RK) op 25-05-1670 te Dongen, begraven op 04-12-1747 te Rijen op 77-jarige leeftijd. Getuige(n): Catharina Huberti Emmen en Joanna Adriani Houtepen). Dochter van Cornelius Henricus ELANDS (Glaudi) en Catharina Hendriks SCHEERDERS.
Uit dit huwelijk:
1. |
Adriana Maria (Jennemie) [3], gedoopt (RK) op 23-05-1695 te Tilburg (getuige(n): Joanna Adriaen Hautepen en Maria Cornelis van Dommelen). V: Thomas Adriaen Hautepen, M: Dijmpna, overleden 1765 te Oosterhout. Ondertrouwd (1) op 07-05-1719 te Rijen, gehuwd voor de kerk op 23-jarige leeftijd op 07-05-1719 te Rijen (getuige(n): Joseph van Doremael en Joanna van den Kieboom) met Jan Antonij HUIJGENS [4], 30 jaar oud, gedoopt op 15-04-1689 te Oosterhout (getuige(n): Adrianus Jan Huygen en Clara Corstiaen Adriaense), overleden voor 1727 te Oosterhout. Zoon van Antonius (Adriani) Jan HUIJGENS en Anna Adriani MEEUSSEN. (Adriana Maria Houtepen, Joannes Antonii Huygens). |
2. |
Catharina (Catharina Thomas) [5], gedoopt (RK) op 03-02-1697 te Tilburg (getuige(n): Maria Adriana Houtepen). V: Thoma Houtepen, M: Dimpna, overleden op 24-01-1768 te Breda op 70-jarige leeftijd, begraven op 27-01-1768 te Breda. Ondertrouwd op 22-06-1720 te Breda. (Johan Roelen, jm van den Rien, en Catrina Thomas Houtepen, jd op de Rien, met attestatie van den Rien naar Dongen). Gehuwd te Dongen, gehuwd voor de kerk te Dongen met Johannes (Jan) RULLENS [6], 21 jaar oud, gedoopt op 29-12-1698 te Dongen. Overleden op 23-10-1763 te Breda op 64-jarige leeftijd, begraven op 26-10-1763 te Breda, zoon van Cornelis RULLENS en Pitronella HENRICI. |
3. |
Adrianus, gedoopt (RK) op 19-02-1699 te Rijen (getuige(n): Joannes Thomae Houtepen en Maria Cornelii Groenendaal, W: Maria Adriani Walteri). V. Thomas Adriani Houtepen, M. Dimpna Cornelii Eelans, overleden voor 1704. In 1704 wordt een tweede Adrianus geboren. |
4. |
Joanna (Jenneken Thomas) [7], gedoopt (RK) op 20-10-1701 te Rijen (getuige(n): Joanna Adriani Botermans, Andreas Cornelii Eellans afwezig). V. Thomas Adriani Houtepen, M. Dimpna Cornelii Eellans, begraven op 15-05-1743 te Chaam op 41-jarige leeftijd. Ondertrouwd (1) op 23-10-1727 te Gilze, gehuwd op 26-jarige leeftijd op 10-11-1727 te Gilze, gehuwd voor de kerk op 09-11-1727 te Gilze (RK) met Gerardus PRINCEN [8], geboren 1693/1694 te Gilze, overleden V 1738, begraven te Breda? Zoon van Pieter PRINCEN en Pieternella STADHOUDERS. |
5. |
Adrianus (Adriaan) [10], gedoopt (RK) op 13-08-1704 te Rijen (getuige(n): Walterus Antonii Clock en Dimpna Wynandi, W: Joanna Adriani Houtepen). V: Thomas Adriani Houtepen, M: Dimpna Cornelii Eelans, overleden najaar1728 te Rijen. |
6. |
Petrus (Peter Thomas) [11], kapelaan te Dongen en later Princenhage, daarna pastoor te Princenhage, gedoopt (RK) op 22-01-1707 te Rijen (getuige(n): Cornelia Adriani Vervoort, Hubertus Walteri van Dongen, afwezig). V. Thomas Adriani Houtepen, M. Dimpna Henrici Eelans, begraven op 01-12-1772 te Princenhage op 65-jarige leeftijd. |
7. |
Joannes (Jan Thomas) (zie VI.12). |
[1] Achtergrond informatie bij Thomas HOUTEPEN:
Op 3 september 1700 verkrijgt Thomas, schepen te Gilze en Rijen, van zijn oom Corstiaen Thomas Houtepen, op dat moment circa 71 jaar oud een aantal vestgoederen over onder de verplichting voor hem om zijn oom tot aan diens overlijden te verzorgen en na zijn overlijden voor zijn begrafenis te zorgen en aan de vijf broers en zussen van Corstiaen dan wel aan hun eventuele afstammelingen per staak ieder zes gulden uit te keren (SAB V672 f101). Het betreft hier onverdeelde helft in de navolgende zaken:
- het grote huis met de zuidelijke helft van de schuur, het oude en nieuwe brouwhuis met de daarbijbehorende brouwerij en gereedschappen, aan de Kerkstraat te Rijen, ter grootte van in totaal acht lopenzaat;
- vijf lopenzaat zaailand, genaamd De Camp, gelegen nabij de Haansberg te Rijen;
- achttien lopenzaat heide, gelegen in de Vliegende Vennen te Rijen; een halve bunder moerveld of heide aan het Moerdijkske te Rijen;
- twee lopenzaat moerveld, genaamd het Oud Moerke, gelegen in de Bijsters te Tilburg;
- vijf lopenzaat weiland, genaamd de Groote Weijde, aan de Schaarstraat te Rijen.
Thomas zal de andere onverdeelde helft van de onder 1 en 3 genoemde kavels verkrijgen na het overlijden van zijn moeder. Zij verkreeg namelijk op 22 oktober 1700 de onverdeelde helft van de weduwe van Bartholomeeus (SAB V672 f106v).
Thomas draagt op 21 januari 1701 aan Cornelis Cauwenbergh in eigendom over zijn onverdeelde helft in het onder 2 genoemde kavel zaailand, genaamd De Camp, dat in zijn geheel vijf lopenzaat groot is (SAB V672 f112). De andere onverdeelde helft van dit kavel, dat nabij de Haansberg te Rijen is gelegen, is volgens de vestbrief eigendom van het weeskind van Bartholomeeus Thomas Houtepen. Wie hier mee bedoeld is, is mij echter nog onduidelijk, aangezien Bartholomeeus meerdere kinderen heeft nagelaten. Dit zijn overigens zijn neven en nichten, aangezien zijn vader, Adriaan Thomas en Bartholomeeus Thomas broers waren. Het betekent voorts dat de weduwe van Bartholomeeus tussen 22 oktober 1700 en 21 januari 1701 is overleden! Dit kavel is blijkens de vestbrief door Thomas op 20 augustus 1700 in eigendom verkregen. Op 10 januari 1706 verkrijgt hij tezamen met zijn echtgenote Dingna Cornelis Eelens voor f125,00 het een/zesde onverdeeld aandeel in een stedeken van wijlen Catalijn Thomas Smitten ter grootte van 360 roeden gelegen in de Kerkstraat te Rijen (SAB V673 f67).
Op 9 januari 1711 verkrijgt Thomas Adriaenssen tezamen met zijn echtgenote Dingna Cornelis Elants de westelijke helft van een kavel zaailand, genaamd Het Ven, ter grootte van circa anderhalve bunder, gelegen aan de Leegstraat te Rijen (SAB V674 f2). Thomas was op dat moment nog schepen te Rijen.
Aan bierimpost betaalde Thomas in 1714 een bedrag van f33,00. Naast zijn brouwerij waren er in 1719 nog slechts drie andere brouwerijen, namelijk die van Cornelis Houtepen, Cornelis Cornelis van Dongen en Peter van Dongen. In deze herbergen stonden bussen voor de armen, die door de armmeesters of Heilige Geestmeesters jaarlijks werden gelicht. In 1719 bracht de bus 'ten huize van de herberg van Thomas Houtepen' f4.2.0 op, terwijl dat in 1725 voor alle herbregen tezamen slechts f6.10.0 was (GAGR invnr 764).
Op 7 april 1718 verkrijgt Thomas uit de publiek verkochte nalatenschap van Abraham Peeter Janssen voor f325 een vijf loopenzaat groot kavel zaailand, genaamd "De lange vooren" gelegen aan de Kerkstraat te Rijen (RAT 2804R33 f32).
Op 14 maart 1720 vindt de verdeling plaats van de nalatenschap van de ouders van zijn echtgenote, waarbij zij drie kavels land verkrijgt in de stede van Jan Bastianen te Dongen, met een gezamenlijke grootte van circa drie en een half loopensaet. Een half huis aan de Hamstraat te Dongen wordt met meer kavels grond aan haar broer Andries Cornelis Eelands toegedeeld, terwijl haar andere broer Jan onder andere een half huis aan de Cruijnierstraat te Dongen verkrijgt (RAT Dongen R142 f216). Op 22 augustus 1722 verkrijgt hij voor f150,00 van zijn neef Adriaan van Dongen de Jonge, de jongste zoon van zijn overleden tante Maria en oom Huibregt Wouters van Dongen, het tweeeneenhalf loopenzaat groot kavel zaailand, genaamd "het clein ackercken", gelegen nabij de Leegstraat te Rijen, dat na het overlijden van zijn grootvader aan zijn tante Maria was toebedeeld (RAT 2804R34 f28v).
Op 10 november 1725 verkrijgt Thomas voor f700,00 van de erfgenamen van Leendert Peeter Vrijters en Elisabeth Stoffel Aerden van Dun een stede met een huijsinghe aan de Kerkstraat met een buijnder ondergrond en weide (RAT 2804R34 f153). Dit huis is vervolgens gesloopt, aangezien zijn zoon Petrus Thomas Houtepen (pastoor te Princenhage) in zijn testament aan de kinderen van zijn broer Jan Thomas legateert "een steede waarop voor desen gestaen heeft een huijsinghe etca, groot saeijland en weijland te samen omtrent een buijnder" door zijn vader in 1725 gekocht voor f700,00 (SAB N1031 a159). Van Adriaan van Dongen de Oude (broer van voormelde Adriaan de Jonge) koopt hij op 7 januari 1737 ook nog het zes loopenzaat grote kavel zaailand aan de Leegstraat, destijds gelegen in de aanstede van wijlen Huibregt Wouters van Dongen, en wel voor f300 (RAT 2804R36 f227).
Blijkens de kohieren van het gemaalgeld, aangevangen in 1724, blijkt dat hij tot aan zijn overlijden in 1757 hoofdbewoner is van het grote huis in de Kerkstraat. Ook zijn kinderen wonen vanaf dat moment daar: Joanna tot 1727, Adriaan tot 1728, terwijl Peeter alleen in 1724 wordt genoemd. Zoon Jan woont in tot aan zijn huwelijk in 1734 en is alleen in het tijdvak 1732 daar niet woonachtig geweest.
Op 20 januari 1727 treedt Thomas op als toeziend voogd over de minderjarige kinderen van zijn dochter Adriana en Jan Anthony Huijgen bij de verdeling van een boedel, waarin zij via hun overleden vader gerechtigd zijn geworden (RAT Dongen 143, f201v).
Op 15 februari 1737 koopt hij bij een publieke verkoop voor f1.300,00 van de kinderen van monsr. Pieter Prince den Ouden een huis met schuur, paardenstal en brouwerij ter grootte van 550 roeden alsmede drie kavels hei op de Eijckbergh in Ginneken en Bavel. Dit huis wordt door hem echter op 23 november 1743 voor f1.680,00 aan Adriaan Cornelis Canters publiekelijk verkocht, overigens zonder de drie kavels hei (SAB ORA Ginneken en Bavel inv.nr. 207 folios ongenummerd).
Op 7 september 1744 verdelen Thomas en zijn vrouw hun vermogen over de (klein)kinderen, waarbij Johannes Thomas het groot pannenhuis aan de Kerkstraat toebedeeld krijgt, alsmede de weide Het Driesken, vier kavels wei aan de oostzijde van de Schoorstraat, een kavel wei aan de westzijde van de Schoorstraat, drie kavels hei aan de Moerstraat, een kavel hei aan de Hoevendijk, een kavel hei achter Marijnis Wirckenstede, en een kavel hei genaamd De Vliegende Vennen, zulks onder de verplichting om aan de overige vier kavels ieder f250,00 uit te keren; Petrus Thomas verkrijgt een huis aan de westzijde van de Kerkstraat, een kavel hooiland in het Craenschot te Oosterhout en een kavel land op Cleijn Oosterhout; Catharina Thomas verkrijgt twee kavels zaailand in de aanstede verkregen van Huijbregt van Dongen, een kavel land en bos, genaamd Den Os en een kavel hooiland in de Keijlen te Oosterhout; de kinderen van Johanna Thomas, gehuwd met Abraham Beckers, een kamer en turfkooi aan de Kerkstraat, een kavel zaailand, genaamd Het Ven, een kavel hooiland in de Oord te Oosterhout; Adriana Maria verkrijgt aan kavel zaailand, genaamd Abrahammenakker, een kavel zaailand aan het Goorenstraatje, een kavel zaailand, genaamd Thomasstede, aan de Kerkstraat en een kavel hooiland in het Veen onder Raamsdonk (RAT 2804R38 f78v).
Volgens de kohieren op het gemaalgeld is Thomas in het tijdvak 1757-1758 overleden.
[2] Achtergrond informatie bij Dingena (Dympna) ELANTS:
Digna Hautepein is op 10 februari 1728 in Breda tezamen met haar zoon Petrus Hautepen getuige bij de doop van haar kleinzoon, Cornelis Rullens, zoon van haar dochter Catharina Hautepen en Joannes Rullens (RK Waterstraat DTB2-21 f128).
[3] Achtergrond informatie bij Adriana Maria (Jennemie):
Joannes Hugens is samen met zijn schoonzus Joanna Houtepen op 14 augustus 1723 in Breda getuige bij de doop van Cornelis Maria, zoon van haar zus Catharina en Joannes Rullens (RK Waterstraat DTB-21 f104).
Op 12 oktober 1724 laten d'eerbare Adriana Maria Thomas Houtepen en haar echtgenoot Jan Anthony Huijgen, wonende te Oosterhout, een mutueel testament opmaken, waarbij zij elkaar tot enig erfgenaam benoemen onder de verplichting voor de langstlevende om hun twee kinderen op te voeden en bij het bereiken van hun meerderjarigheid aan ieder van hen f150,00 uit te keren (GAB N604 a108). Hun kinderen Cornelis en Annemarie worden door hun grootvader Thomas Houtepen bijgestaan wanneer de nalatenschap van Jan en Bartholomeeus Meeussen, zijnde erflaters aan moederszijde van hun vader, op 20 januari 1727 wordt verdeeld (RAT Dongen 929, 143 f201v). Thomas stelt zich op 16 oktober 1730 borg voor Huijbregt Janssen Crul, die als voogd optreedt over de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Adriana Maria Thomas Houtepen met Jan Anthonij Huijgen (RAT 2006 nr 365 f48).
Uit het huwelijk met Hubertus Crul zijn zes kinderen geboren. De oudste Joannes is gedoopt op 20 mei 1728 te Oosterhout, Adrianus is gedoopt op 27 september 1729 te Oosterhout en is op 30 mei 1811 aldaar overleden, Joanna is op 2 mei 1731 te Oosterhout gedoopt, trouwde met Cornelis Mertens, die op 30 januari 1803 in Oosterhout overleed, en overleed zelf op 13 november 1805 in Oosterhout, Andreas is op 27 november 1732 in Oosterhout gedoopt en op 19 januari 1779 eveneens in Oosterhout overleden met achterlating van een echtgenote Joanna Oomen, met wie hij op 28 oktober 1759 in Oosterhout in het huwelijk is getreden (zij is een dochter van Joannes Peeter Oomen en Cornelia van Asten, gedoopt op 19 februari 1730 in Oosterhout en aldaar overleden op 12 februari 1789), Catharina is op 6 augustus 1735 in Oosterhout gedoopt en op 23 mei 1803 aldaar overleden, en de jongste Dymphna is op 16 september 1737 in Oosterhout gedoopt en op 23 oktober 1820 aldaar overleden (Bron: website familie Crul www.vanunen-stamboom.nl).
In het artikel Pottenbakkerijen in Oosterhout, door J. Broeders gepubliceerd in het tijdschrift van de Heemkundekring De Heerlijkheid Oosterhout (2004,3,p3612) wordt vermeld dat Huijbrecht Jansen Crul in 1727 eigenaar werd van een potterij. Deze zou gelegen zijn aan de westkant van de huidige Sint Vicentiusstraat ten noorden van het speelgoedmuseum, op de plaats van het voormalige garagebedrijf Rutters. Het artikel vervolgt: "Na het overlijden van Huibrecht en zijn vrouw, Adriana Maria Houtepen, respectievelijk in 1756 en 1765 vererfde het bedrijf op een voorkind van de vrouw, Cornelis Jan Huygen, en zes kinderen uit hun gezamenlijke kroost Crul-Houtepen. Onder hen figureerde ook Adriaan Crul, gedoopt in 1729, de latere pastoor van Oosterhout en landdeken. Krachtens het testament uit 1785 van het voorkind, Cornelis Jan Huigen, belandde de eigendom ten slotte bij vier van de zes eerder aangeduide 'CrulHoutepenkinderen' en bij de zeven kinderen van de eerder overleden oudste zoon, Jan Crul. Catharina en Dingena Huibert Crul, zusters dus van de zeereerwaarde, zouden het vruchtgebruik genieten." Als bronvermeldingen zijn genoteerd GAO invnr 157 f76v en GAO OA invnr 174 f9.
[4] Achtergrond informatie bij Jan Antonij HUIJGENS:
De naam van zijn moeder Anna Adriani wordt in het BHIC aangevuld met (Cornelis) (Peters) (Lenarden), maar aangezien zijn kinderen meedelen in de nalatenschap van onder andere Bartholomeeus Jan Meeussen, wonende op de 30 Buynders, die op 3 oktober 1726 te Dongen is begraven, zal haar achternaam Meeussen zijn geweest.
[5] Achtergrond informatie bij Catharina (Catharina Thomas):
Op 24 februari 1722 wordt in Breda gedoopt Maria, dochter van Joanna Rulens en Catharina Hautepen, waarbij als getuigen aanwezig zijn Thomas Hautepen, Petronella Rulens en Lucia Montens (RK Waterstraat DTB-21 f99), op 14 augustus 1723 Cornelis Maria, zoon van Catharina Hautepen en Joannes Rullens te Breda, waarbij als getuige aanwezig zijn Joannes Hugens en Joanna Hautepen (RK Waterstraat DTB-21 f104), op 10 maart 1726 Elisabeth, als dochter van Catharina Hautepen en Joannes Rullens, waarbij als getuigen aanwezig zijn haar broer Adrianus Hautepen, Petronella Rullens en Digna Zeelans (RK Waterstraat DTB-21 f116), op 10 februari 1728 Cornelis, als zoon van Joannes Rullens en Catharina Hautepen, waarbij als getuige aanwezig zijn Petrus Hautepen, Digna Hautepein en Margaretha Montens (RK Waterstraat DTB-21 f128), op 12 augustus 1730 te Breda Catharina Clara, als dochter van Joannes Rullens en Catharina Hautepijn, met als doopgetuigen Gerardus Prince, Petronella Rullens en Maria Rullens, op 19 juni 1732 Joanna Petronella in Breda, als dochter van Catharina Hautepen en Joannes Rullens, waarbij als getuige aanwezig zijn Gerardus Rijns, Adriana Houtepen en Maria Rullens (RK Waterstraat DTB-21 f163) en op 3 juni 1734 te Breda Petrus, als zoon van Joannes Rullens en Catharina Hautepeijn, met als doopgetuigen Joanna Houtepeijn en een eerwaarde heer.
Samen met Maria van der Linden is zij getuige bij de doop van Paulus, zoon van Franciscus Blomme en Cornelia Bastiaens (RK Waterstraat DTB-21 f143).Later is zij ook doopgetuige bij drie kinderen van haar dochter Joanna Petronella Rulis en Arnoldus Biemans, te weten: op 28 januari 1757 te Breda samen met haar man Joannes Rulis, Joannes Verbergh en Cornelia Beckers bij Cornelia (RK Nieuwstraat DTB-16 f149), op 13 juni 1758 in Breda bij Catharina Maria (RK Nieuwstraat DTB-16 f159) en op 14 augustus 1765 te Breda samen met haar broer Petrus, pastoor te Princenhage, bij Petrus (RK Nieuwstraat DTB-16 f203). In 1743 was zij op 22 juni mede namens Gijsbertus Stapels getuige bij de doop van Maria Catharina, dochter van haar broer Joannes Thomae Houtepen en Petronila Waltheri Stapels (RK Bavel DTB-IV-20 nr5 f32).
Op 12 december 1749 koopt Catarina Houtepen, huisvrouw van Jan Rullens, voor f3.575,00 van de erfgenamen van Daniel Bouwens 'eene huijsinghe, stallinghe gelegene hoff en erve met allen de toebehoren mistgaders de grutmolen met nogh ses kleijne huijssens ofte wooninghe daartoe behorende, genaemt Het Wit Cruijs, gestaen en gelegen aan de oostzijde van Ginnekenseijnde'. Volgens de koopovereenkomst wordt de akte op 18 december 1749 opgemaakt en is de koopprijs voldaan op 5 januari 1750 (SAB R597 f125v). Op die datum vindt namelijk de daadwerkelijke eigendomsoverdacht plaats (SAB R598 f8). Wanneer deze vestgoederen verkocht is mij niet bekend.
Op 15 mei 1759 levert juffr. Catarina Thomas Houtepen, echtgenote van Sr. Johannis Reulens, voor f 950,00 aan haar broer Jan Houtepen, schepen te Rijen, zeven loopenzaat zaailand in de Acker te Rijen, twee en een half loopensaat zaailand aan de schouwleij en een bunder land met bos aan het einde van de Kerkstraat te Rijen, zoals door haar in eigendom verkregen bij de akte van verdeling van 7 september 1744 (RAT 2804 R40 f346). In het begraafregister van de Grote Kerk te Breda wordt vermeld dat in verband met het begrabven van Juffrouw Catharina Houtepen, weduwe van Johannes Reulus, voor het 2e geluij f27,00 wordt betaald, aan kerkregt f8,00, voor het baarkleed f10,00, en voor de lijkekist f2,00 dus in totaal f47,00.
Haar broer Petrus Thomas Houtepen, pastoor te Princenhage, heeft in zijn testament onder anderen haar kinderen genaamd Maria, Cornelis en Elisabeth Rules alsmede de kinderen van haar overleden dochter Johanna, die getrouwd was met Arnoldus Biemans, tot erfgenamen van zijn nalatenschap benoemd (SAB N1031 a159 en N1035 a114). Na zijn overlijden worden haar kinderen dan ook in zijn boedelbeschrijving vermeld, die op 30 juni 1762 is opgemaakt (SAB N1036 f9).
[6] Achtergrond informatie bij Johannes (Jan) RULLENS:
Het is de vraag of deze datum en plaats klopt. Zekerheid heb ik pas wanneer ook de dopen van zijn zussen Petronella en Maria zijn gevonden. Petronella is gehuwd met Gerard Reijns, die op 18 novmber 1733 te Baarle-Nassau wordt begraven.
[7] Achtergrond informatie bij Joanna (Jenneken Thomas):
Blijkens de kohieren van het gemaalgeld over Rijen woonde Johanna van 1724 tot 1727 als dochter in bij Thomas Adriaan Houtepen op de Kerkstraat te Rijen. In 1727 vertrekt zij met haar bruidegom naar Bavel. Uit haar huwelijk met Gerardus Prinsen wordt een zoon geboren, genaamd Petrus, die op 12 juli 1728 in Bavel gedoopt en waarbij haar moeder Dimpna Houtepen en Petrus Prinsen als getuigen aanwezig zijn. Op 13 juli 1728 wordt in de overlijdenslijsten van de kerkmeesters van Bavel vermeld dat een kind van Geeridt Peeter Princen is overleden, in verband waarmee 3 gulden wordt betaald om het kind in de kerk te begraven. Aangezien ik in de inventarissen 21, 22 en 26 van de schepenbank van Ginneken en Bavel geen staat of inventaris dan wel een voogdij- of boedelrekening in verband met het overlijden van Geerard heb gevonden en er ook in de doopregisters geen andere kinderen worden vermeld, zijn er naar alle waarschijnlijkheid geen andere kinderen uit deze relatie geboren. Opvallend is echter dat er in de jaren 1786, 1787 en 1789 drie kinderen van ene Petrus Gerardus Prinsen uit Gilze en Maria Cornelis de Jong geboren te Ginneken worden gedoopt.
Geeraert Peter Princen verkrijgt op 9 oktober 1728 bij een publieke verkoop voor f40,00 van de gezamenlijk kinderen en erfgenamen van Adriaan Lips het drie/vierde gedeelte in een kavel weiland gelegen aan de Bol- en de Eickbergh, ter grootte van ongeveer 200 roeden. Later verkrijgt Geerard Prince eveneens bij een publieke verkoop door Willem Hendrik van Beeck een huijsinghe, hoff en huijsacker" ter grootte van 300 roeden alsmede "een kavel land ter grootte van ongeveer 280 roeden, beide gelegen op de Eijckbergh te Bavel (SAB ORA Ginneken en Bavel inv.nr. 207 folios ongenummerd).
Uit de kaartenbak op de begraafregisters van Ginneken en Bavel heb ik niet kunnen afleiden wanneer Gerard is overleden, maar wordt er wel verwezen naar 125 f68v. Wellicht is hij in Breda begraven. In ieder geval moet Gerard voor 1738 zijn overleden. Op 13 maart 1738 laten Johanna Thomas Houtepen, wonende te Bavel, weduwe van Geerard Princen, en Abraham Reijnier Beckers, wonende te Chaam, weduwnaar van Anna Willem Hinnen, namelijk huwelijksvoorwaarden opmaken, in welke akte een slotafrekening bij helfte voorkomt in het geval van overlijden. Er wordt geen staat van aanbrengsten vermeld (SAB N618 a21).
Uit haar huwelijk met Abraham Beckers worden drie kinderen geboren: Joanna wordt op 14 november 1738 te Chaam gedoopt, Reinerus op 6 april 1740 en Antonius Dijmpnus op 3 mei 1743 eveneens te Chaam. Vrij kort na de geboorte van de jongste zoon overlijdt Joanna, waarschijnlijk aan de gevolgen van de geboorte.
Op 9 oktober 1767 verkrijgt haar broer Petrus Thomas Houtepen in zijn hoedanigheid van administrateur over de persoon en goederen van Abraham Beckers, wonende te Chaam, van Johanna Beckers, huisvrouw van Gerardus van de Ouweland, koopman te Oosterhout, Reijnier Beckers, oud Rooms pastoor van Breda en Anthony Beckers, wonende te Essen, als erfgenamen van Abraham Beckers, overleden in zijn woonplaats Chaam, twee obligaties groot f 2000, luidende ten laste van Nieuw Jacobsland, Fijnaart, van 4 juni 1756 (SAB N1030 f146). Op diezelfde dag verlenen voornoemde erfgenamen van Abraham Beckers en hun gevolmachtigde Reijnier Isaak Beckers, schepen te Chaam, hem, pastoor in 's Princen Hage, kwijting en decharge voor de door hem gedane rekening en verantwoording als gewezen administrateur van Abraham Beckers en voogd over de minderjarige kinderen van Abraham Beckers, verwekt bij zijn zus Johanna Houtepen (SAB N1030 f147).
DEZE VOOGDIJREKENING MOET NOG WORDEN INGEZIEN.
[8] Achtergrond informatie bij Gerardus PRINCEN:
Gerard zou een broer kunnen zijn van de Pieter Pieter Princen (geb 1695 te Gilze) die met Johanna Cornelis Beckers (geb 1695 te Gilze) was gehuwd. Zij woonden in de woning van haar moeder en overleden vader, die een brouwerij op Nerhoven hadden. Deze Pieter (ook wel Peeter Peeter Princen de Jonge genoemd) was blijkens een artikel van J.C. de Vet in de Mulder 102 (jan 2007) een zoon van de bierbrouwer in de kom van het dorp, later Raadhuisstraat. Deze Pieter overleed in 1635 met achterlating van een oudste zoon Cornelis (geb 1719 te Gilze), die tot aan zijn huwelijk bij zijn moeder op Nerhoven bleef wonen.
[9] Achtergrond informatie bij Abraham Reijnier BECKERS:
Abraham Reynier Beckers, geboren en wonende te Chaam, weduwnaar van Anna Kinne, en Johanna Thomas Houtepen, geboren te Rijen en wonende te Ginneken, weduwe van Geerard Pieter Prince.
[10] Achtergrond informatie bij Adrianus (Adriaan):
Volgens de kohieren van het gemaalgeld over Rijen woont hij in de periode 1724-1728 als zoon bij Thomas Adriaan Houtepen in de Kerkstraat te Rijen.
Op 10 maart 1726 is hij Breda samen met Petronella Rullens en Digna Zeelans, getuige bij de doop van Elisabeth, een dochter van zijn zus Catharina en Joannes Rullens (RK Waterstraat DTB-21 f116). Vermoedelijk overlijdt hij in 1728, maar in ieder geval na 01-07-1728. Adrianus wordt namelijk niet genoemd in het testament van zijn broer, Petrus Thomas Houtepen, en evenmin wordt daarin melding gemaakt van eventuele kinderen van Adrianus. Ook bij de verdeling van het vermogen van zijn ouders in 1744 is hij of enig kind van hem als deelgenoot genoemd.
[11] Achtergrond informatie bij Petrus (Peter Thomas):
Petrus Hautepen is op 10 februari 1728 tezamen met zijn moeder Digna Hautepein en Margaretha Montens, getuige bij de doop van Cornelis, zoon van zijn zus Catharina en Joannes Rullens. Voorts is hij, als eerwaarde heer pastoor te Princenhage, samen met zijn zus Catharina getuige bij de doop van Petrus, zoon van zijn nichtje Joanna Petronella Rulis, afkomstig uit Breda, en Arnoldus Biemans, afkomstig van Poppel, op 14 augustus 1765 te Breda (RK Nieuwstraat DTB-16 f203) en op 22 mei 1768 te Breda bij Maria Petronella, dochter van Joanna Rulis en Arnoldus Biemans (RK Nieuwstraat DTB-16 f221).
Petrus heeft in Leuven filosofie gestudeerd (artes, pedagogie De Burcht, dives). Onder het rectoraat van Arnoldus Joseph van Bruggenhout van 30 augustus 1729 tot en met 27 februari 1730 wordt Petrus Hautepen ex Rijen als een van de 206 minorennes vermeld, die verdeeld waren over de colleges of pedagogien Porcenses, Castrenses, Falcones en Lilienses. Hij maakte deel uit van de Castrenses (Matricule de l'universite de Louvain, deel VII, p.485, A. Schillings) In 1733 is hij tot priester gewijd. Na kapelaan te zijn geweest in Dongen van 1736 tot 1741 onder pastoor Muijs is hij van 1741 tot en met 1750 kapelaan in Princenhage.
Op 16 juli 1743 schrijft hij een brief aan de heer Verroten, kannunnik aan de kathedraal van Antwerpen, met het verzoek om zijn broer te helpen middels exorcisme, aangezien deze pijn had aan het hart en leed aan een bepaalde aandoening, waardoor het leek alsof er bij het ademen en het strekken van zijn armen iets brak. Deze brief is door hem voorzien van een rood lakzegel, dat bestaat uit een met een naar rechts gewend ridderhelm en dekkleden gekroond schild, waarop een geklede onderarm met hand een veren pen vasthoudt, met als helmteken eveneens een hand met pen (SAB BA invnr 826).
Op 12 februari 1751 wordt hij aangesteld tot pastoor in Princenhage en vervult deze functie van 1750 tot aan zijn dood in 1772 (SAB BA 803). Op 16 april 1761 sluit hij een akkoord met de kerkmeesters en kerkraden van Princenhage, waarin zijn tractement en zijn competentie wordt vastgelegd, omdat er met de vorige pastoor daarover onenigheid was ontstaan. Hij ontvangt jaarlijks f300,00 en voorts alle kaarsen, die in de kerk worden geofferd, mits er bij de Heilige Missen maar voldoende licht in de kerk brandt. Daarnaast ontvangt hij de offers van de diverse altaren in de kerk, de vergoedingen voor het bedienen van de zieken, f2,50 voor een begrafenis op het kerkhof en het dubbele bij een begrafenis in de kerk en indien het een kind betreft f1,10 respectievelijk f1,70. Dit akkoord wordt op 18 juli 1752 door Dominicus, bisschop van Antwerpen goedgekeurd (SAB BA invnr 806).
Op 30 mei 1759 koopt hij voor f3.800,00 van Anna Elisabeth Numan, huisvrouw van Pieter van Beeck, een huis met hof en erf, groot een gemet, gelegen oost aan de de Roomse kerk en zuid aan de straat te Princenhage, en wordt hierin op 20 juni van dat jaar gevest (SAB inv III54b nr 107, f56v).
Op 9 oktober 1767 verkrijgt hij in zijn hoedanigheid van administrateur over de persoon en goederen van Abraham Beckers, wonende te Chaam, van Johanna Beckers, huisvrouw van Gerardus van de Ouweland, koopman te Oosterhout, Reijnier Beckers, oud Rooms pastoor van Breda en Anthony Beckers, wonende te Essen, als erfgenamen van Abraham Beckers, overleden in zijn woonplaats Chaam, twee obligaties groot f 2000,00, luidende ten laste van Nieuw Jacobsland, Fijnaart, van 4 juni 1756 (SAB N1030 f146).
Op diezelfde dag verlenen voornoemde erfgenamen van Abraham Beckers en hun gevolmachtigde Reijnier Isaak Beckers, schepen te Chaam, hem, pastoor in 's Princen Hage, kwijting en decharge voor de door hem gedane rekening en verantwoording als gewezen administrateur van Abraham Beckers en voogd over de minderjarige kinderen van Abraham Beckers, verwekt bij zijn zus Johanna Houtepen (SAB N1030 f147).
In zijn eerste testament benoemt hij tot zijn erfgenamen de gezamenlijke kinderen van zijn zus Adriana Thomas Houtepen, de gezamenlijke kinderen van zijn zus Catharina Thomas Houtepen, de gezamenlijke kinderen van zijn broer Johannes Thomas Houtepen alsmede de gezamenlijke kinderen van zijn zus Johanna Thomas Houtepen, doch deze laatste voor niet meer dan het een/achtste gedeelte van zijn zuivere nalatenschap, en prelegateert aan de kinderen van Johannes Thomas Houtepen de stede met een bunder grond te Rijen, destijds door zijn vader in 1725 aangekocht voor f700,00. Voorts wordt de eerwaarde heer Adrianus Krul, rooms pastoor te Oosterhout, tot voogd over de eventuele minderjarige kinderen aangesteld (SAB N1031 a159).
In het daaropvolgende testament wordt de erfstelling en het legaat niet gewijzigd; wel worden de kinderen van Catharina Thomas Houtepen nu met namen genoemd, namelijk Maria, Cornelis en Elisabeth Rules alsmede Johanna Rules, huisvrouw van Arnoldus Biemans. Tot voogden over de minderjarige kinderen worden in afwijking van het vorige testament nu aangesteld Reijnier Beckers, wonende te Chaam, en Cornelis Rules, wonende te Breda, en wordt tot executeur-testamentair aangesteld voormelde Adrianus Krul (SAB N1035 a14). Deze Adrianus Krul is een zoon van zijn zus Adriana Maria, die later pastoor te Oosterhout wordt en later zelfs landdeken.
In het begraafregister wordt vermeld dat er 10 maal is overluid met beide klokken en dat hij is begraven op het lage koor; de kosten hiervan bedragen f30,00. De grafsteen is nog steeds aanwezig in de doopkapel van de St Martinuskerk van Princenhage.
Na zijn overlijden wordt op 18 januari 1773 zijn nalatenschap beschreven door genoemde Adrianus Krul ten overstaan van notaris Roelants te Breda. Tot zijn nagelaten vermogen behoort niet alleen het hiervoor vermelde stuk grond, dat hij aan de kinderen van zijn broer Johannes heeft gelegateerd, maar ook een huis in Princenhage, waarin hij tot zijn overlijden heeft gewoond. De indeling van dit huis en de zich daarin bevindende inboedel wordt uitgebreid beschreven, waarin tevens wordt vermeld "een schilderij (-) verbeeldende de overleedene"! Aan contante penningen was ongeveer f3.000,00 aanwezig, terwijl er nog een vordering bestond op Fijnaart in de vorm van een obligatie ten bedrage van f4.060,00 en een vordering op Peter Dirven in de Hage, groot f200,00, daterende van 14 oktober 1759 (GAB N1036 a114).
Het destijds door hem gekochte huis wordt op 1 mei 1773 door Adrianus Crul als executeur-testamentair ter uitvoering van een codicil van 16 juli 1772 aan Jan Jacob Vlamincx, de nieuwe pastoor, verkocht voor f4.000,00 met de verplichting om het huis na zijn overlijden voor hetzelfde bedrag aan de opvolgende pastoor te verkopen (SAB inv III54b nr 109, f76v).